|
|
Aflevering 7 van "Doorgaan, Frieda, vooral doorgaan"Terug aan het werk Alles bij elkaar ben ik een krappe vijf weken weggeweest. De eerste werkdag verloopt traag. Mijn manager houdt zich redelijk op de achtergrond en doet haar best om vriendelijk tegen mij te zijn. Ik voel mij schuldig omdat ik tijdens de drukke eerste dagen in het nieuwe kantoorpand niks heb kunnen doen. Mijn collega’s zijn allemaal heel lief en belangstellend. Ze vragen me honderduit over de ziekte. Ik kom erachter dat ik zelf nog maar verdomd weinig weet, want op veel vragen moet ik het antwoord schuldig blijven. Maar hun warme belangstelling doet me heel veel goed. Nog wat onwennig zit ik achter het nieuwe bureau en probeer de draad weer op te pakken. Het valt mij op dat ik mij maar moeilijk kan concentreren. Ik ben bezig met boekhoudkundige controles en als gevolg van een denderende koppijn dansen de cijfers mij voor de ogen. Ik besluit om er vandaag geen volle dag van te maken. Wij werken met flexibele werktijden en omdat ik nogal wat uren extra had gewerkt voordat ik ziek werd, kan ik al om vier uur naar huis. Zoveel vragen... Omdat ik zelf ook nog met heel veel vragen zit, ga nog even naar de bibliotheek en zoek naar documentatie over L.E. of aanverwante ziektes. Veel is er niet en de bibliothecaresse overhandigt mij een fors uitgevallen medische encyclopedie. Daarin lees ik onder andere dat ongeveer 50% van de patiënten binnen vijf jaar nadat de diagnose gesteld is, komt te overlijden. Wàt? Dat bestáát toch niet? Veel van wat ik lees komt overeen met wat ik al eerder heb gehoord of gelezen. Onderaan staat het telefoonnummer en het adres van de Nederlandse Vereniging voor L.E. patiënten. Ik noteer dit en ga enigszins aangeslagen naar huis. 50% Komt binnen vijf jaar te overlijden? Wat moet ik dáár nu weer mee? Het laat mij maar niet los. Die vreselijke koppijn... Thuisgekomen duik ik meteen mijn bed in en trek de lakens (het is nog veel te heet voor dekens) tot ver over mijn oren en blijf doodstil liggen. Oh, die koppijn, kabonk... kabonk....kabonk....Stápelgek word ik ervan. Mijn jongste zoon Marcel komt thuis en vraagt of hij wat voor me kan doen. Hij weet zich duidelijk geen raad met de situatie. Ook Hans komt nu thuis van zijn werk en vraagt wat er aan de hand is. Hij vindt dat ik veel te vroeg met werken ben begonnen en dat ik veel meer naar mijn lichaam moet luisteren. "Blijf nou maar lekker liggen, dan zorg ìk wel voor het eten." Als ik hèm toch niet had! Hans is gewend om mij te helpen in het huishouden. Trouwens toen ik destijds besloot om weer te gaan werken, hebben wij de taken keurig verdeeld. Bovendien, we hebben sàmen een gezin, werken sàmen en doen sàmen de huishouding. Dus van hulp is er geen sprake. Als ik aan het strijken ben, wordt er toch ook niet gezegd dat ik Hans help? Maar hij heeft wel een goed voorbeeld gehad, want zijn vader deed destijds ook zo het een en ander in de huishouding. Dat moest trouwens ook wel in een gezin met tien kinderen! En eerlijk gezegd: Hans is een natuurtalent en sommige taken gaan hem beter af dan mij! Ik heb die avond geen honger en blijf tijdens het avondeten in bed. Om een uur of negen stap ik er toch nog even uit om wat met Hans te praten. Ik vertel hem wat ik gelezen heb en dat ik mij ongerust maak. "Waarom bel je die vereniging voor L.E.-patiënten morgen dan niet gewoon op? Misschien hèb je daar wat aan!" Ik neem me voor om dat inderdaad te doen. De volgende ochtend word ik al om vijf uur wakker. Ik blijf in bed tot een uur of half zeven en ben om half acht op mijn werk. "Ik moet gewoon naar huis, mijn bed in..." Ik buig me over de computeruitdraaien om verschillen uit te zoeken en voel alweer snel een lichte druk op mijn linkeroog. Nee hè, toch niet wéér! Ik worstel nog enkele uren verder totdat ik letterlijk geen cijfer meer van een letter kan onderscheiden. Ik hol naar het toilet en barst in tranen uit. Verdomme! Het gáát gewoon niet, hoe graag ik het ook wil! Ik bevochtig mijn gezicht met plenzen water en ga met neergebogen hoofd (want ze mochten eens zien dat ik gehuild heb, stel je voor!) terug naar mijn bureau. Ik zucht nog eens diep en probeer weer verder te gaan. Nog geen vijf minuten later lijkt het alsof de computerprinten een Weense wals dansen op mijn bureau. Ik lijk wel gèk te worden! Nog maar even diep zuchten..... Kijk maar even ergens anders naar! Kabonk...kabonk...kabonk.... doet mijn hoofd weer. Vooral doorgaan Frieda, vooral doorgaan. De tranen zwellen weer op achter mijn oogleden. Er zit niks anders op, ik moet naar huis, mijn bed in! Ik vind het vreselijk dat ik met betraande ogen naar Heleen moet om mij af te melden. Nauwelijks hoorbaar en volledig overstuur zeg ik dat ik zo niet verder kan. Ik wacht haar reactie niet af en zonder mijn collega's verder aan te kijken, ren ik zo goed en zo kwaad als ik kan het kantoorgebouw uit op weg naar huis. Op weg naar rust! Ik ben zo moe, zo verschrikkelijk allesoverheersend moe! Thuisgekomen duik ik weer mijn bed in. Oh, wat een zaligheid! Na twee uur voel ik mij al weer wat beter en besluit ik om eruit te gaan. Er is niemand thuis dus heb ik alle ruimte om op mijn gemak met de patiëntenvereniging te bellen. En wat ben ik blij dat ik dàt heb gedaan! |
|
| CIB zijn ernstige aandoeningen.
Het stellen van de diagnose is een zaak van de huisarts of de specialist. Voor medisch advies, raadpleeg uw arts. | |