|
|
Aflevering 33 van "Doorgaan, Frieda, vooral doorgaan"Reeds anderhalve week in het ziekenhuis Ondertussen krijg ik pijnstillers, lichte ontstekingsremmers en vijf maal daags kunsttranen. Omdat de dermatoloog nog steeds een medicijnvergiftiging als oorzaak van mijn ziekte niet wil uitsluiten, mag ik bepaalde medicijnen niet meer hebben. De gewrichtspijnen heb ik door mijn hele lichaam heen. Dan weer een paar dagen in mijn duimen, dan in mijn knieën, in mijn ellebogen, polsen en enkels tegelijk. Het zit overal. Het valt me op dat alle verschijnselen zich altijd symmetrisch manifesteren. Op mijn onderarm heb ik een hele grote zwelling. Ik knap nog steeds niet op en ook blijf ik vreselijke dorst houden. Hans is bang dat er iets met mijn nieren aan de hand is, maar spreekt zich daar niet over uit. Als ik dat geweten had, had ik hem snel kunnen geruststellen, want mijn urine is in orde, dus verder nieronderzoek is niet nodig. Ik lig nu anderhalve week in het ziekenhuis en krijg vandaag het laatste onderzoek. Vanmorgen vertelde de internist mij, dat ik daarna prednison en plaquenil zal krijgen. Ik raak daar behoorlijk van over mijn toeren. Prednison! "Krijg ik dan ook zo'n ronde toet?" vraag ik de internist benauwd. Ze knikt me toe en zegt dat dat er waarschijnlijk wel in zit. Het is inmiddels wel duidelijk dat er sprake is van een auto-immuunaandoening. Er zijn antistoffen in het bloed aangetroffen en er was ook iets met het aantal eiwitten. De vraag is alleen: wèlke bindweefselziekte. De artsen twijfelen aan een opvlamming van L.E., omdat dit niet in het bloed is gevonden. Spierbiopsie Mijn schoonzusje Gerda komt die middag op bezoek, een leuke vlotte griet waar ik goed mee op kan schieten. Zij heeft zelf al heel wat meegemaakt, maar heeft altijd enorm veel belangstelling voor een ander. Ze is nog niet binnen of een verpleegster komt mij halen voor een kleine chirurgische ingreep. Vandaag wordt de spierbiopsie gedaan. "Hè, wat jammer. Nou is ze helemaal voor niks gekomen. Mag ze met me mee, zuster?", vraag ik met een kinderlijk pruillipje. En gelukkig, dat mag. Gerda werkt zelf in een verpleeghuis en is wel wat gewend, dus ze gaat mee naar de geïmproviseerde operatiekamer van de Eerste Hulp. Daar heerst een chaotisch sfeertje. De verpleegkundigen lopen in en uit. Ik lig te klappertanden op de brancard en krijg een verdovingsprik in mijn been. Het wachten is op de chirurg. Pas na een minuut of twintig komt hij binnen en begint eerst een geanimeerd gesprek met de verpleegster. Ondertussen gaat de telefoon. De oproep is bestemd voor de arts. En weer gaat er een hele tijd voorbij. Ik wissel wat betekenisvolle blikken met Gerda uit, die mij vol ongeloof aankijkt. Het lijkt wel alsof we in een aflevering van ER verzeild zijn geraakt. Ondertussen vraag ik telkens om water, omdat ik nog steeds een kurkdroge mond heb en mijn tong aan mijn verhemelte vast dreigt te plakken. Ik kan nog steeds niet lang zonder vocht. Als de chirurg dan eindelijk zover is en het scalpel ter hand neemt, vraag ik hem bezorgd of de verdoving nog wel werkt. "Jawel hoor, mevrouwtje, die prik doet z'n werk nog wel. Maar als u wat voelt, dan geeft u maar een gil", zegt hij lacherig en begint te snijden. Hij rommelt wat in mijn bovenbeen en ineens krijg ik er een schok doorheen, alsof de bliksem inslaat. Ik gil nog nèt niet, maar laat wel blijken dat er iets mis is. De gewaarschuwde arts verzet zijn 'werkterrein' en gaat verder. Tjak! En weer een blikseminslag in mijn been. "Hó", roep ik. "Ik voel het wéér, hoor!" En nu besluit de chirurg lacherig om er maar een verdoving bij te geven. Als hij een stukje spierweefsel heeft weggenomen, sluit hij de wond en word ik op mijn eigen bed gelegd. Pas een half uur later komen vrijwilligers mij van de gang halen om me naar de afdeling te brengen. Wat een ongeorganiseerd zooitje. Gelukkig dat Gerda erbij was, werd het tòch nog gezellig! Die avond om zes uur krijg ik voor het eerst Prednison. De dosis is in overeenstemming met mijn lichaamsgewicht, 60 mg voor 60 kg. Pas als de Prednison is afgebouwd tot 40 mg. mag ik naar huis. En dat duurt minimaal nog twee weken! Naast mij komt een nieuwe patiënt. Een mevrouw met bloedarmoede, die tevens aan de ziekte van Alzheimer lijdt. Een lieve demente oude dame, die de afdeling behoorlijk in beroering brengt. De andere patiënt op de kamer is een jonge vrouw die zichzelf van het leven heeft willen beroven, dus die is nogal in zichzelf gekeerd. Ze snakt steeds naar een sigaret en ik ben bang dat ze stiekem een peuk op zal steken en dan per ongeluk de boel in de fik steekt. Ik voel mij niet erg op mijn gemak met dit warrige gezelschap. Cortisone Als Hans 's avonds komt vertel ik hem dat ik met Prednison behandeld word. Maar hij had dat inmiddels al van de dermatoloog gehoord, die hij in gang staande had gehouden. Omdat ik nu al drie weken hoge koortsen heb, vroeg Hans wanneer ze nu eindelijk eens met een behandeling zouden beginnen. De arts heeft hem gerustgesteld en verteld dat ik nu waarschijnlijk wel snel zal opknappen. Toch ben ik behoorlijk van streek. "Prednison, daar word ik hartstikke dik en lelijk van. Straks ben ik moddervet en misschien krijg ik wel een baard en een snor. Hou je dan nog wel van me?", vraag ik zielig. Hans neemt me in zijn armen en troost me: "Word nou eerst maar beter, friefie! Kom nou! Je gelooft toch zeker zèlf niet dat ik je óóit zal laten gaan? Al weeg je 200 kilo en heb je een nog zwaardere baard dan ik, je blijft mìjn meissie", zegt hij lief. Wat hèb ik het toch getroffen met die vent! |
|
| CIB zijn ernstige aandoeningen.
Het stellen van de diagnose is een zaak van de huisarts of de specialist. Voor medisch advies, raadpleeg uw arts. | |