Home

Positieve psychologie

Rubriek: Psychosociaal
Diane Thora

Positieve Psychologie is een beweging binnen de psychologie, die benadrukt en onderzoekt wat er deugt aan mensen in plaats van wat er aan hen schort. Psychologie was en is volgens deze stroming te eenzijdig negatief, nl. té gebaseerd op:

  • een negatief mensbeeld, ook wel het “rotten-to-the-core” model genoemd: achter iedere goede bedoeling of gedraging moet een slechte drift zitten;
  • de dominantie van het ziekte-model en het medisch model nl. gericht op het bestrijden van het negatieve, het repareren van schade;
  • de defectgerichtheid: de basisstelling was dat het wegnemen van de probleemoorzaak zou leiden tot de gewenste situatie;
  • negatief onderzoek en gebruik van negatieve taal: het meeste wetenschappelijk onderzoek was gericht op het begrijpen van het ontstaan van gedragsstoornissen. De psychologie zou ook vooral negatieve termen toegevoegd hebben aan de taal.

Grondlegger van de positieve psychologiebeweging is Martin Seligman. Hij stelt dat er geen greintje bewijs is voor de rotten-to-the-core hypothese en dat het repareren van schade ten zeerste verschilt van het bouwen aan sterkte en deugden. Geleid door de overtuiging dat het goede het tegenovergestelde is van het slechte, heeft de mensheid zich al eeuwen gefixeerd op fouten en falen. Deze fixatie op zwakte is diep verankerd in onze beschaving en educatie. Ze is dan ook moeilijk te veranderen, maar het kan wel degelijk. De missie van de positieve psychologie is het opbouwen van kennis via onderzoek over positieve emoties, gedragingen en instituties. De oorspronkelijke centrale vraag: “Wat heeft het probleem veroorzaakt?” wordt nu: “Hoe bereiken we wat we willen bereiken?”

Anders dan de meeste klassieke therapieën is de aanpak niet gericht op het bestrijden van het negatieve, maar op het versterken van het positieve. Daarbij geldt als uitgangspunt dat de persoon zelf in staat is om doelen te stellen en beschikt over de hulpbronnen en competenties om deze te bereiken. Een chronische ziekte betekent niet louter verlies en dreiging. Zowel de verslagen over patiënten als de wetenschappelijke literatuur maken geregeld melding van patiënten die positieve kanten ontdekken in hun ziekteproces. Zelfs als de ziekte voortschrijdt en de lichamelijke toestand verslechtert, blijkt dat veel chronische patiënten niet ongelukkiger of minder tevreden zijn dan gezonde mensen. De aanpassing aan een chronische ziekte is echter geenszins gemakkelijk.

Al in de jaren zestig toonden onderzoekers aan dat chronisch ziek worden een van de meest ingrijpende gebeurtenissen in een mensenleven is. Het gaat immers niet om een voorbijgaand incident, maar om een lange aaneenschakeling van grotere en kleinere ongemakken, die bovendien soms steeds ernstiger worden. Pijn, onzekerheid, medische ingrepen, zich ongemakkelijk gedragende vrienden en moeite om voor zichzelf te zorgen, zijn maar een paar van de problemen waar de patiënt mee te maken krijgt. Maar ook in deze moeilijke omstandigheden, blijkt de invloed op het welbevinden voor een belangrijk deel afhankelijk te zijn van de wijze waarop de patiënt tegen de omstandigheden aankijkt. En hier kan een positieve realistische ingesteldheid helpen.

Een voorbeeld. Bij een steeds slechter wordende fysieke conditie kun je je blauw ergeren aan alles wat je niet meer kunt. Je kunt ook proberen om de moed op te brengen om te kijken naar wat je wel nog kunt. Een moeder die al lange tijd bedlegerig was, merkte op dat haar dochtertje dichter bij haar stond dan vroeger. Een van de feiten die aan de grondslag lagen, was dat het meisje graag naar verhaaltjes luisterde. In tegenstelling tot haar vroegere drukke agenda waar nauwelijks tijd was voor voorlezen, kon deze moeder nu dagelijks vertellen. De band met haar kind werd sterker en dat gaf een intens gevoel van geluk. Ook toen later haar fysieke toestand aanzienlijk verbeterde, droeg ze zorg voor een bescheiden agenda waar plaats bleef om te vertellen.

Terug naar Artikels