Home

Ouders kiezen voor ons

Rubriek: Psychosociaal
Diane Thora

In de vorige psycho-artikels kon u lezen dat coping het beste uit te leggen is als ‘de manier waarop iemand met problemen omgaat’. Of deze nu ontstaan in een ontspannen of stressvolle situatie is niet van belang. Coping moet gezien worden als een voortdurend ondernemen van cognitieve (d.m.v. inzicht) en gedragsinspanningen om aan de eisen van de buitenwereld tegemoet te komen. Uit onderzoek is gebleken dat lichamelijke en psychische stoornissen veroorzaakt kunnen worden door aanhoudende, slepende probleemsituaties. Hier wordt duidelijk gezegd: “kunnen”. Niet iedereen die blootstaat aan psychische druk zal een stoornis ontwikkelen.
Er zijn vele factoren die een rol spelen bij het ontstaan van stoornissen na een stressvolle gebeurtenis. De eigen waarneming, interpretatie en reactie van het individu is hierin een belangrijke factor, bijv. de beoordeling van de gebeurtenis als (negatief) stressvol of niet.
Sommige copingstijlen zijn effectiever dan andere. En zelfs al vinden wij zelf dat onze manier van omgaan met problemen vaak niet effectief is, toch lukt het ons dikwijls niet om die manier te veranderen. Hoe komt dit nu?
Het woord coping geeft de indruk dat het een statische toestand betreft, maar het is een proces dat zich in de tijd afspeelt. Het is een interactief proces tussen de persoon en zijn omgeving. Zowel omgevingsfactoren (aanwezige personen enz.) als persoonsgebonden factoren (temperament bijv.) spelen een rol in onze manier om het hoofd te bieden aan (belastende) levensgebeurtenissen.
Persoonlijkheid, maar ook de persoonlijke geschiedenis geankerd in ons gezin van oorsprong, spelen een belangrijke rol. Ons proces van betekenisgeving vindt nl. plaats op grond van de al gevormde oordelen over onszelf en anderen, die voor een groot deel ingekleurd worden vanuit de eigen voorgeschiedenis.

De Hongaars-Amerikaanse psychiater Ivan Boszormenyi Nagy (uitspreken als Nodge) beschrijft de sociale structuur van het gezin. Deze sociale structuur wordt gestuurd door zijn eigen wetten. Zo werkt het hele systeem volgens een bepaald evenwichtsprincipe. Als één lid van het gezin het evenwicht verstoort, zal een ander lid dat compenseren. Zo kan bijv. een agressieve, onverantwoordelijke vader tegenwicht krijgen van een zich opofferende, oververantwoordelijke moeder. Het hele systeem wordt ook beheerst door regels. Bij gezonde gezinnen zijn die regels bespreekbaar en staan open voor discussie. De leden van het systeem spelen rollen om de behoeften van het systeem in evenwicht te houden. In gezonde gezinssystemen zijn die rollen flexibel en verwisselbaar; binnen ongezonde zijn de rollen star en liggen ze vast.
Mensen blijven loyaal aan het oorspronkelijke gezin en zijn regels, ook lang nadat ze, ogenschijnlijk door eigen keuze of door noodzaak, alle banden daarmee verbroken hebben. Die loyaliteit kan vrij vertaald worden als ‘zijn best doen om te voldoen aan de verwachtingen en rekening te houden met de belangen van dat oorspronkelijke gezin.’ Nagy maakt een onderscheid tussen verticale en horizontale loyaliteit. Loyaliteit in zelfgekozen, wederkerige relaties (zoals bijv. echtgenoten, collega’s, lotgenoten …) is de horizontale loyaliteit. Krijgen we van deze mensen te weinig terug voor onze inspanningen, dan kunnen we altijd kiezen om met deze mensen niet meer om te gaan. Verticale loyaliteit, tussen ouders en kind, is niet zo vrij. Met onze ouders zijn we in onze bestaansgrond (existentieel) verbonden en die band kunnen we niet verbreken. Ex-moeders en ex-vaders of ex-kinderen bestaan gewoonweg niet, zelfs al hebben ze geen contact meer.

In de levensloop van de mens zullen de verticale en horizontale loyaliteitslijnen elkaar telkens snijden. In principe zal de verticale loyaliteit altijd voorgaan op de horizontale. Het ligt bij iedereen heel moeilijk om negatief te spreken over zijn of haar ouders. Als je je negatief uitlaat over een lotgenoot, voelt dat veel minder slecht aan dan wanneer je dat doet over je ouders. We raken dan immers aan onze eigen wortels en dus ook aan onszelf. Door het kruisen van beide loyaliteitslijnen hebben we onvermijdelijk te maken met loyaliteitsconflicten. De nieuwe relaties, bijv. echtgeno(o)t(e), die men kiest, brengen ook nieuwe verwachtingen en verplichtingen. Bovendien hebben beide partners te maken met hun verticale loyaliteiten. Het botsen van loyaliteiten is eigen aan het leven zelf. Door verbreking, ontkenning of beschadiging van de verticale loyaliteitsbanden zullen nieuw te vormen relaties vaak ernstig te lijden hebben. Om dat te verduidelijken, kunnen we de loyaliteiten voorstellen als een ladder. Bij het negeren van de ouder-kind-loyaliteit lijkt het alsof de sport van de ladder geen houvast meer biedt. Ze zal telkens weer afbreken op hetzelfde punt, nl. het verbindingspunt. Loyaliteiten hebben bovendien te maken met het zgn. ’erfgoed’. Alle verworvenheden, baten en lasten uit het verleden van zowel voorouders als ouders vormen tezamen het erfgoed. In onze wortels zijn bepalende feiten aanwezig, die door de generaties steeds weer opnieuw worden doorgegeven. Deze feiten kunnen van velerlei aard zijn. Sommige hiervan staan vast: ons geslacht (mannelijk/vrouwelijk), onze huidskleur, ras en aanleg … Men is niet vrij over de keuze ervan. Het gaat echter ook over levensfeiten en gebeurtenissen zoals scheiding, het doorgemaakt hebben van ziektes, oorlogen enz. De wijze waarop ieder individu al deze feiten, verworvenheden en lasten voor zich in het leven integreert, is een hele opdracht en wordt door Nagy ‘het legaat’ genoemd. Als men een deel van zijn oorsprong negeert of ontkent, maakt dat onvrij en werpt dat een last op voor de toekomst en mogelijk ook voor de komende generaties. Dat betekent niet dat we geen keuzes maken. Het betekent wel dat die keuzes worden gekleurd door wat we van huis uit hebben meegekregen. We kregen boodschappen mee over ‘iets wat mag’ en ‘iets wat niet mag’.

Die boodschappen (of regels) kunnen soms behoorlijk dwingend zijn. Belangrijk is dat men zijn wortels erkent, de waarde ervan opneemt en in zijn leven inbouwt.

Dit klinkt allemaal nogal ingewikkeld. Een voorbeeld kan veel verduidelijken. Stel, je ouders hebben een familiebedrijf (legaat) dat al generaties lang van vader op zoon doorgegeven wordt. Jij ben de oudste zoon en je hebt een CIB. De druk om op jouw beurt het familiebedrijf over te nemen weegt zwaar, want fysiek kun je het niet aan. Bovendien is het niet aan je buitenkant te zien dat je ziek bent en je ouders weten nauwelijks iets af van CIB. De druk is dan nog zwaarder. Uit loyaliteit met je vader kun je niet zomaar een overname weigeren. De kans bestaat dat je een enorme druk op de schouders van bijv. je vrouw legt. Je kunt bijv. alle gezinstaken verwaarlozen om energie te sparen, die je dan in het bedrijf steekt. Gevolg: je voelt je schuldig t.o.v. je vrouw (horizontale loyaliteit). Je doet ook jezelf tekort, want je voelt je niet gelukkig en maakt je veel te moe. Dan spreken we over een ‘delegaat’ wat betekent dat het ‘legaat’ te zwaar is.
In zulke situatie is het belangrijk om je ‘erfenis’ eens grondig te onderzoeken. Waarom is het bedrijf zo belangrijk voor je vader? Onderzoeken, bespreken en dan zeggen: ‘Ik begrijp je en waardeer het erg, maar ik moet mijn leven op een andere manier organiseren’. Deze houding is het integreren van de vroegere verworvenheden in je eigen leven. Het zomaar ontkennen van het belang van het bedrijf voor je vader of juist doen alsof je deze wens van hem niet ziet of hoort, is geen goede keuze. Onderhuids blijft deze (soms onuitgesproken) verwachting zinderen en zal een negatieve invloed hebben op je andere relaties zoals partner, kinderen, buren …

Terug naar Artikels