Home

Cognitieve therapie en depressie

Rubriek: Psychosociaal
Diane Thora

Met een spanningssituatie (stress) tracht iedereen zo goed mogelijk om te gaan. Dat “hoofd bieden aan spanning” heet coping. Copingstijlen worden sterk beïnvloed door onze gedachten (cognities) die wij hebben over situaties. Onze huidige opvattingen over de nieuwe situatie worden mee bepaald door vroegere. Die liggen vervat in schema’s die opgeslagen zijn in ons geheugen. Sommige hiervan zijn bewust, andere vrijwel automatisch.

Als iemand een chronische ziekte heeft, kan de manier waarop de patiënt met die spanningssituatie tracht om te gaan (coping) gedomineerd worden door bijv. depressogene schema’s. Depressogene schema’s zijn disfunctionele (storende) schema’s die overwegend negatieve gedachten omvatten. Activeren van die disfunctionele schema’s gaat gepaard met specifieke veranderingen of afwijkingen in de informatieverwerking, ook wel denkfouten genoemd. Die afwijkingen kunnen resulteren in automatische gedachten. Als deze lang aanhouden, kan de persoon depressief worden.

Over welke afwijkingen in de informatieverwerking gaat het?

  • Afwijkingen in de selectieve aandacht
    Selectieve aandacht verwijst naar het vermogen om voorrang te geven aan belangrijke informatie en onbelangrijke informatie te negeren. Die selectie vindt plaats in een vroeg stadium van informatieverwerking. Selectieve aandacht is vooral gestoord bij patiënten met angststoornissen. Zij zijn gefocust op het object van hun angst bijv. een spin. Depressieve mensen leven meer in het verleden (herinneringen), wat op zijn beurt de aandacht voor iets sterk kan verminderen.

  • Afwijkingen in het selectief geheugen
    Stemming blijkt van invloed te zijn op het geheugen. Onder invloed van depressieve stemming zijn nare ervaringen meer toegankelijk en onder invloed van een vrolijke stemming zijn positieve ervaringen meer toegankelijk. De vaardigheid om een sombere stemming te herstellen door meer positieve herinneringen op te roepen, is bij depressieve mensen verstoord. Bij gezonde sombere mensen is die nog intact. Depressieve mensen hebben ook meer moeite om zich concrete gebeurtenissen te herinneren. Zij hebben de neiging om globale negatieve herinneringen op te halen. Een voorbeeld. van een globale negatieve herinnering bij “vakantie” is: “Vakantie is niets voor mij” of: “Ik verveel me altijd op vakantie”. Een voorbeeld van een concrete herinnering is: “In Spanje had ik vorig jaar wel last van die hitte, maar in de schaduw …”. Dat globaal memoriseren zou een rol spelen bij het aanhouden van de depressieve klachten en staat daarbij het oplossen van probleemtaken in de weg, met gevoelens van hopeloosheid als gevolg.

  • Afwijkingen in de selectieve interpretatie
    Interpretatie, betekenisgeving bepaalt hoe mensen situaties, ook het eigen functioneren, beleven. Bij depressogene schema’s verloopt de interpretatie overwegend negatief.

Depressogene schema’s ontstaan doorheen de levensloop en worden steeds opnieuw gevoed door gedachten omtrent nieuwe situaties. Aangezien de informatieverwerking verstoord is door de schema’s, worden er voortdurend systematische vertekeningen aan toegevoegd. Het doel van cognitieve therapie is het veranderen van deze disfunctionele schema’s die de informatieverwerking sturen en storend of pathologisch (ziekelijk) gedrag in stand houden.

Hoe werkt cognitieve therapie?

Een eerste stap is het opsporen van zgn. disfunctionele assumpties (vooronderstellingen). Dat zijn algemene ideeën over zichzelf, de anderen en de wereld die iemand kwetsbaar maken om bepaalde situaties op een disfunctionele manier te interpreteren.

Er zijn twee soorten assumpties:
  • basale assumpties: dat zijn de grondideeën over zichzelf, de anderen en de wereld;
  • conditionele assumpties: die zijn meestal geformuleerd onder de vorm “als ... dan”.

Een voorbeeld van een automatische gedachte vanuit depressogene schema’s is: “Ik mag dat niet vragen”, bijv. hulp bij het aankleden. Een mogelijke basale assumptie is: “Ik ben waardeloos, de toekomst is hopeloos”. Een conditionele assumptie die hier bij aan sluit is: “Als ik voor mezelf opkom, ben ik slecht, minderwaardig”. Vervolgens treedt de zgn. instrumentele assumptie in werking, die bepaalt hoe iemands relatie met anderen er moet uitzien: “Zorg steeds voor anderen”. Vanuit die assumpties zal u geen hulp vragen bij het aankleden en somber in uw pyjama blijven zitten.

Assumpties zijn gebaseerd op kinderlijke en vroegere ervaringen. Ze zijn latent aanwezig, maar worden geactiveerd door belangrijke gebeurtenissen zoals bijv. falen of verlieservaringen (ziekte). Binnen die assumptie kunnen verschillende thema’s onderscheiden worden die op een dimensie kunnen gesitueerd worden. De therapeut tracht uw assumptiethema’s in kaart te brengen.

Die hebben betrekking op:
  • eigenwaarde: waardevol/waardeloos;
  • recht: rechtvaardig/onrechtvaardig;
  • verantwoordelijkheid en schuld: onverantwoordelijk/erg schuldig;
  • controle: in de hand houden/chaos;
  • prestatie: succes/falen;
  • acceptatie: afwijzing/aanvaard worden;
  • gevaar: veilig/onveilig;
  • verlies: behouden/kwijtraken;
  • vertrouwen: betrouwbaar/onbetrouwbaar.

Stel dat u rondloopt met de basale assumpties: “Ik ben waardeloos omdat ik ziek ben, van geen nut meer”, dan hangen aan die redenering meestal conditionele (voorwaardelijke) assumpties vast in de stijl van “Als mensen niet van me houden, ben ik waardeloos”. Als dan een kritische gebeurtenis plaatsvindt, bijv. een gepland bezoek wordt afgebeld, is het risico groot dat u denkt: “Mijn vriendin houdt niet meer van mij, dus ben ik waardeloos”. U vindt de situatie onrechtvaardig (ze had het toch beloofd), zoekt de schuld bij uzelf (bij een zieke valt ook niets te beleven), neemt u voor om de zaak bij een volgend bezoek onder controle te houden door niets over uw ziekte te vertellen enz ...

Die gedachtengang steekt vol met systematische denkfouten:
  • willekeurige gevolgtrekking: “Ze heeft niet gezegd wanneer ze wel komt, dus zal ze wel niet meer komen”;
  • selectieve abstractie: d.i. als een detail negatief is, wordt heel de situatie negatief gezien. In het voorbeeld: “Heel mijn dag verknoeid, nu zij niet geweest is”;
  • overgeneralisatie: d.i. vergaande conclusies trekken op een relatief onbeduidend voorval. In ons voorbeeld: “Ze zal wel nooit meer komen”;
  • personalisatie: d.i. de schuld op zich nemen: “Ze zal me wel niet aardig vinden”;
  • zwart-wit denken: “Als ik gezonder was, had ze niet afgebeld”;
  • vergroting/verkleining van negatieve ervaringen:”Iedereen zal stilletjesaan wel wegblijven”.

Wijzigingen van automatische gedachten zijn in veel gevallen niet voldoende (“Ik weet wel dat ik er anders tegen aan moet kijken, maar het voelt niet anders”). Daarom gebruikt de therapeut de zgn. cognitieve triade. Dat is gespecialiseerd werk en kunt u onmogelijk bij uzelf. Als u uzelf herkent in de beschreven voorbeelden en u merkt dat u zelf er niet in slaagt om spanningsituaties op een meer positieve manier aan te pakken, dan vraagt u best aan de huisarts een doorverwijzing voor psychotherapie.

Bij de cognitieve triade analyseert de therapeut grondig drie niveaus aan de hand van huiswerk bijv. dagboeken, waarvoor hij/zij specifieke schema’s heeft die door de patiënt thuis ingevuld worden. Niveau 1 gaat over de grondideeën over zichzelf, de anderen en de wereld; niveau 2 over de conditionele assumpties en niveau 3 over vooronderstelde leefregels die voorschrijven over hoe de persoon zich moet gedragen om geluk te verwerven en onheil te voorkomen (“Ik moet aan verwachtingen voldoen”). Die leefregels sturen het gedrag, terwijl bij gezonde mensen het de eigen wensen en behoeften zijn die het gedrag sturen.

Terug naar Artikels